Ga direct naar de inhoud.

De Hoge Raad over immuniteit en ambtshalve toetsing

Een in Nederland gevestigde vennootschap stelt onder verwijzing naar de – door Paris Club opgezette – schuldsaneringsregeling een vordering in tegen de staat Irak. De vennootschap baseert haar vordering op een overeenkomst die in 1981 tussen beide partijen was gesloten. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt Irak daarop bij verstek tot betaling van een fors geldbedrag. Irak vordert nu in een aparte procedure dat (i) de executie van dit verstekarrest wordt geschorst, dat de schorsing van kracht blijft totdat de Iraq Debt Reconciliation Office (IDRO) over de vordering heeft geoordeeld en dat (ii) de tenuitvoerlegging in of buiten Nederland wordt verboden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af, waarna het vonnis door het hof (afgezien van dat deel van de vorderingen die betrekking hebben op het buitenland) wordt bekrachtigd. Volgens Irak heeft het hof miskend dat het hof zich in de zaak die heeft geleid tot het verstekarrest, ambtshalve had moeten weerhouden van het toewijzen van de vorderingen in de verstekprocedure. De Nederlandse rechter is krachtens Volkenrecht immers verplicht om in geval van verstek te beoordelen of er aan de vreemde staat immuniteit van jurisdictie kan worden verleend, aldus Irak.

Het ambtshalve toetsen van immuniteit in geval van verstek: verplichting?

De voornaamste vraag in dit arrest is dus of de rechter ambtshalve onderzoek dient te verrichten naar immuniteit van jurisdictie van een vreemde staat of internationale organisatie, indien één van deze partijen niet in rechte verschijnt. Het internationaal gewoonterecht schrijft niet voor op welke wijze aan het recht op immuniteit van jurisdictie in de nationale rechtsorde toepassing moet worden gegeven. Als er geen verdragsregeling van toepassing is, bepaalt het nationale recht de wijze waarop dit recht moet worden toegepast. Op dit punt zijn er in de verschillende nationale rechtsstelsels uiteenlopende opvattingen te vinden. Waar het Franse “Cour de Cassation” oordeelde dat de Franse rechter niet gehouden is om ambtshalve te beoordelen of de verweerder een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt, heeft het Duitse ”Bundesgerichtshof” geoordeeld dat de Duitse rechter hiertoe ambtshalve onderzoek dient te verrichten.

Artikel 6 en 23 van het VN-Verdrag zijn in dit verband mogelijk relevante verdragsregels. In artikel 6 is de verplichting opgenomen om ambtshalve toepassing te geven aan het recht op immuniteit van jurisdictie, welke ingevolge artikel 23 ook geldt in verstekzaken. Niet alle bepalingen van het VN-Verdrag zijn echter aan te merken als internationaal gewoonterecht (vgl. HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, NJ 2017/190 (MSI/Gabon c.s.), rov. 3.4.4)¹. De verplichting tot het ambtshalve toetsen van immuniteit van jurisdictie is pas later toegevoegd en niet genoemd in de preambule van het verdrag. Het uitgangspunt is volgens de ontwerpteksten dat het recht toepassing zou vinden binnen de kaders van het nationale procesrecht. De artikelen 6 en 23 VN-verdrag kunnen dan ook niet als internationaal gewoonterecht worden aangemerkt. Om die reden moet op de nationale regelgeving worden teruggevallen. In Nederland is de situatie tot nog toe dat de Nederlandse rechter bevoegd (en dus niet verplicht) is om in verstekzaken ambtshalve de immuniteit van jurisdictie te toetsen (zie de arresten HR 25 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1554, NJ 1995/650, en HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ 2010/526)².

Artikel 13a Wet algemene bepalingen stelt dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan worden beperkt door uitzonderingen die in het volkenrecht zijn erkend. Het recht op immuniteit van jurisdictie behoort tot dergelijke uitzonderingen. Uit de kamerstukken van artikel 1 Rv blijkt namelijk dat uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 13a Wet algemene bepalingen om te voorkomen dat de Neder­landse rechter rechtsmacht aanneemt in strijd met volkenrechtelijke immuniteits­verplichtingen van de Nederlandse staat. De Hoge Raad stelt daarom dat de Nederlandse rechter thans wél de verplichting heeft om onderzoek te doen naar de immuniteit van jurisdictie van een niet in rechte verschenen vreemde staat of internationale organisatie. Hiermee wijkt de Hoge Raad gedeeltelijk af van de tot nog toe gewezen nationale jurisprudentie.

Conclusie

Nu er voor de vreemde staat of internationale organisatie een nieuw ‘hard’ rechtsmiddel is geschapen, kan dit mogelijkerwijs een relevant arrest worden voor de internationale rechtspraktijk. Indien de vreemde staat of internationale organisatie niet in rechte verschijnt en de immuniteit van jurisdictie niet aan de orde komt, kunnen zij de (Nederlandse) uitspraak aan de hand van dit arrest bestrijden. De op dit punt in het gelijk gestelde partij (Irak) heeft overigens weinig baat bij deze beslissing, aangezien deze verplichting met het oog op de rechtszekerheid en hanteerbaarheid pas ingaat op zaken die na 1 januari 2018 voor de rechter aanhangig worden gemaakt. 

¹ HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, NJ 2017/190 (MSI/Gabon c.s.), rov. 3.4.4

² HR 25 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1554, NJ 1995/650
HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ 2010/526

Lees ook