Ga direct naar de inhoud.

Richtsnoeren voor mondelinge behandeling door rechter-commissaris in meervoudig te beslissen zaken

In deze arbeidsrechtelijke zaak vordert een werknemer een transitievergoeding van diens werkgever op grond van art. 7:673 lid 1, onder a, BW. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen, waarna de beschikking door het hof is bekrachtigd. Voorafgaand aan de beschikking van de meervoudige kamer van het hof heeft een mondelinge behandeling ten overstaan van een rechter-commissaris plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Bij deze mondelinge behandeling waren de uitspraak doende rechters uit de meervoudige samenstelling echter niet aanwezig. De werknemer klaagt in cassatie dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door de mondelinge behandeling niet (althans niet behoudens bijzondere omstandigheden) voor dezelfde rechters als die de beslissing nemen te laten plaatsvinden. 

Hoofdregel: mondelinge behandeling voor dezelfde samenstelling

In het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 is geoordeeld dat een rechterlijke beslissing die (mede)  tot doel heeft dat partijen in de gelegenheid worden gesteld hun stellingen toe te lichten, in beginsel door dezelfde samenstelling van rechters moet worden genomen als de samenstelling die de mondelinge behandeling heeft bijgewoond. De Hoge Raad bepaalt onder rov. 3.5.1. dat deze regel thans nog steeds de hoofdregel vormt. Dit teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen in de totstandkoming van de beslissing. De Hoge Raad heeft daaraan in zijn arrest van 2014 ten grondslag gelegd dat de mondelinge interactie ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op het oordeel van de rechter en dat dit niet altijd in een proces-verbaal kan worden weergegeven, nog afgezien van het feit dat het opmaken van een proces-verbaal niet altijd wettelijk is voorgeschreven. Met de verwijzing naar deze bewoordingen kan - naar wij menen - zelfs een (conform alle formaliteiten opgesteld en verzonden) proces-verbaal mogelijk niet aan de hiervoor omschreven waarborgen voldoen (ontbreken mondelinge interactie). Hierbij is van belang dat een van de partijen (nadat zij daartoe de gelegenheid heeft gekregen) een verzoek om een mondelinge behandeling tegenover de beslissende meervoudige kamer heeft ingediend. Indien dat het geval is, kan door de rechter niet met een verwijzing naar het opgemaakte proces-verbaal worden volstaan. 

Informatieplicht en afwijken hoofdregel

De Hoge Raad stelt dat indien de mondelinge behandeling plaatsvindt ten overstaan van een rechter- commissaris en (dit is een uitdrukkelijk vereiste) die behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, de volgende regels van toepassing zijn. Uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling zal schriftelijk of elektronisch aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling ten overstaan van een rechter/raadsheer-commissaris zal worden gehouden. Hiermee schept de Hoge Raad een soort tijdige informatieplicht voor rechterlijke instanties, die zorg dienen te dragen dat dit op tijd aan partijen wordt medegedeeld. Partijen dienen verder in de gelegenheid te worden gesteld om een verzoek in te dienen dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Dit verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd, tenzij sprake is van zwaarwegende gronden. De Hoge Raad gaat hier niet verder op in, maar met het oog op de conclusie van A-G Wesseling-van Gent in deze zaak zal het - ons inziens - de taak van de (beslissende)  meervoudige kamer zijn om toe te lichten waarom van dit beginsel wordt afgeweken (vergelijk o.a. randnr. 2.23, laatste volzin). Het ontbreken van een dergelijke onderbouwing kan een motiveringsgebrek vormen. 

Proces-verbaal mondelinge behandeling

Van een mondelinge behandeling (die plaatsvindt in een meervoudige te beslissen zaak) met als doel partijen in de gelegenheid te stellen om hun stellingen toe te lichten, dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. Dit proces-verbaal dient voorafgaand aan de uitspraak aan partijen te worden toegezonden en aan de meervoudige kamer ter beschikking te worden gesteld. De Hoge Raad stelt onder rov. 3.7. dat anders onvoldoende is gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen bij de totstandkoming van de uitspraak is meegewogen (vgl. rov. 3.4.4. van het arrest van 31 oktober 2014). Hiermee heeft de Hoge Raad wederom een interessant procesrechtelijk handvat geschapen. Indien het proces-verbaal (en dit komt geregeld voor) pas na de uitspraak van het hof aan partijen wordt toegezonden, kan dit mogelijk een fataal vormverzuim opleveren. De huidige druk op de rechterlijke macht neemt hierdoor nog meer toe. De verwachting is echter wel dat de Hoge Raad – met het oog op de grootschalige gevolgen van dit processuele vereiste  –  zal verlangen dat de klagende partij een belang heeft bij vernietiging van de uitspraak.

Conclusie

Na een uiteenzetting van regels en richtsnoeren gaat de Hoge Raad in het dictum in op de onderhavige kwestie. Hij stelt vast dat het hof in casu niet uiterlijk bij de oproeping aan partijen heeft medegedeeld dat er een mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter-commissaris zou plaatsvinden. De hierop gerichte klachten slagen, waardoor de beschikking van het hof kan worden vernietigd. Dit impliceert dat als de oproeping wel vermeldt dat de mondelinge behandeling voor een rechter-commissaris zal plaatsvinden, de Hoge Raad niet tot vernietiging overgaat. Partijen kunnen dan immers bezwaar maken en als zij dat nalaten is het verzuim gedekt. Alles overziend een belangrijk arrest voor de procespraktijk, waarin een aantal nieuwe rechten en verplichtingen van procesrechtelijke aard zijn geschapen. Het wordt interessant om te bezien in hoeverre de druk op de rechterlijke macht als gevolg van dit arrest gaat toenemen en of er nog wat nuances aangebracht gaan worden. 

Lees ook